Ontwikkeldoel
De kleuters kunnen handelend, in concrete situaties de begrippen "in, op, boven, onder, naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar, ver weg, dicht bij, binnen, buiten, omhoog en omlaag" in hun juiste betekenis gebruiken. Zij kunnen pictogrammen in verband met "richtingen" als symbolen hanteren.
De kleuters kunnen met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief).
ZILL
GO
RUIMTELIJKE ORIENTATIE
De kleuters kunnen:
/ in de ruimte verschillende plaatsen innemen
/ in de ruimte een bepaalde richting volgen.
/ handelend, in concrete situaties de begrippen “in, op, boven, onder, naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar, ver weg, dichtbij, binnen, buiten, omhoog en omlaag” in hun juiste betekenis gebruiken. (O.D. 3.1. § 1.)
in de werkelijke ruimte
TELLEN ALS VAARDIGHEID
De kleuters kunnen:
zonder aanwijzing vijf dingen correct tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn.
OVSG
Mogelijke thema's zijn:
- bewegen
- een gezonde levensstijl
- fit en gezond
- we gaan naar buiten
- enz.
Op zich is ieder thema waarin 'bewegen' op één of andere manier in aan bod komt mogelijk. Deze activiteit is ook ideaal om buiten te laten plaatsvinden.
De benodigde materialen zijn:
- tunnel
- stapstenen
- hoepels
- een grote zachte mat
- bank
- kegels
- stoelen
- kleine trampoline
- springtouw
- enz.
Vertrek gerust vanuit de materialen die in de klas/school aanwezig zijn.
Zorg vooral voor materialen die handelbaar zijn voor de kleuters. Zij zullen nl. zelf een parcours opstellen.
Het is belangrijk te zorgen voor een grote(re) ruimte vol bewegingskansen zoals de gang, een gemeenschappelijke binnenruimte. Maar deze activiteit kan zeker ook buiten plaatsvinden.
STAP 1 aanknopingspunt
Naar aanleiding van het lopende thema wordt een beweeghoek/ruimte geïnstalleerd.
Dit kan vertrekken vanuit de boodschap dat 'bewegen gezond is'.
STAP 2 exploreren (in kleine groep)
De kleuters exploreren met de materialen.
Observeer en speel eventueel mee.
Neem hier voldoende de tijd voor.
Indien de interesse afneemt gaan we over naar stap 3.
STAP 3 wiskundige kern (in kleine groep)
Na verloop van tijd lanceer ik het idee om een beweegparcours op te stellen met de aanwezige materialen.
Hoe zouden we ervoor kunnen zorgen dat we voldoende bewegen per dag? Wat zouden we kunnen doen met de materialen (uit de beweeghoek)? Welke opdrachten kunnen we geven met de materialen?
Of de kleuters komen hier zelf spontaan toe vanuit het exploreren met de materialen en dit grijp ik aan om verder op te bouwen.
Telkens mogen ze ’s morgens in kleine groep een parcours bedenken en opstellen. De andere kleuters krijgen dan de kans om die dag het parcours te doorlopen. Het parcours dienen ze steeds aan elkaar uit te leggen.
Hierbij komen spontaan heel wat ruimtelijke begrippen aan bod: over, onder, rond, tussen, eerst, dan, in, uit, vooruit, achteruit, enz. Ook aantallen kunnen aan bod komen (5x springen met het springtouw, 2x lopen over de bank, enz.).
Ook tijdens het overleggen komen deze begrippen veelvuldig aan bod.
Wanneer de kleuters niet meer goed weten wat ze moeten doen, mogen ze steeds de kleuters (die het parcours hebben bedacht) vragen stellen. Zij blijven dus gedurende de dag verantwoordelijk voor hun parcours. Ze mogen gerust ook even controleren of alles goed verloopt.
Differentiatie naar beneden: om wat richting te geven aan het parcours kunnen we een begin- en eindpunt aanduiden waartussen het parcours moet komen.
Differentiatie naar boven: je kan ook het aspect 'tijd' verbinden aan de opdracht. De kleuters dienen een parcours op te stellen dat moet voldoen aan een bepaalde tijdspanne (bv. 5 minuten). Dit kan gevisualiseerd worden met de time timer (differentiatie naar boven).
Tip: we kunnen het parcours ook verbinden met een betekenisvolle opdracht. Bv. binnen het thema Sint dienen de pieten de cadeautjes via het parcours naar de schoorsteen te brengen (we gooien het cadeau IN de schoorsteen). Of binnen het thema ‘ballen’ dienen ze een bal mee te nemen en op het einde IN de doos te leggen of gooien. We kunnen dit gebruiken als context om te komen tot het parcours.
STAP 4 terugblik
Op het einde van de dag bespreken we met de kleuters hoe het parcours werd ervaren. Was het een moeilijk parcours? Gemakkelijk? Of waren misschien bepaalde opdrachten eenvoudig, moeilijk? Vond je het leuk? Was het duidelijk uitgelegd? Enz.